Een aanvulling op mijn vorige item over kindermishandeling. In een reactie werd mij verweten dat ik ongefundeerd aan zou nemen dat kindermishandeling en dus huislijk geweld vooral binnen specifieke groepen voor komt, met name onder allochtonen.
Ook wordt er gerefereerd aan een recenter, verkennend onderzoek. Verkennend, het is dus geen volwaardig onderzoek Een onderzoek waarbij je veel vragen mag stellen en mag twijfelen aan de waarde er van. Zo wordt 'kindermishandeling' zó ruim gedefinieerd, maar niet gekwantificeerd, zodat eigenlijk bijna alles onder kindermishandeling kan vallen. Zo zou je kunnen zeggen dat een klein tikje tegen de luier van een baby, het stevig vastpakken van een kinderarm en het eenmalig vloeken in huislijke kring al kan worden opgevat als kindermishandeling. Naar mijn idee zijn dit zaken van heel andere orde dan de gebruiken bij sommige allochtone groeperingen en religies. Zaken als besnijdenis, seksueel misbruik en het afstraffen van kinderen met slaag, soms met een zweep of iets dergelijks.
Als ik het onderzoek waaraan in de reactie op het vorige item wordt gerefereerd mag geloven, dan wordt er gemiddeld in één op de 4 á 5 autochtone huishoudens kinderen mishandeld. Gek genoeg ken ik geen enkel geval.
Dat de zaken toch wel iets anders liggen dan dat men ons wil laten geloven, kun je lezen op de website van de 'Johannes Wier Stichting, De mensenrechtenorganisatie van en voor artsen, verpleegkundigen en paramedici'.
Huiselijk geweld: Van privé-zaak tot mensenrechtenprobleem
Huiselijk geweld is de meest voorkomende vorm van geweld. Bij geen enkele geweldsvorm vallen zoveel slachtoffers. Huiselijk geweld is geweld dat gepleegd wordt in een relatie. Het gaat om fysiek, seksueel of psychisch geweld; de drie vormen van geweld vinden vaak in combinatie plaats. Het geweld wordt veroorzaakt door (ex)partners, gezinsleden, familieleden of huisvrienden. Alle vormen van geweld gepleegd in een relatie, dus niet per definitie 'achter de voordeur', vallen volgens de brede definitie van het Ministerie van Justitie onder huiselijk geweld, inclusief bepaalde vormen van kindermishandeling (o.a. incest/verwaarlozing), ouderenmishandeling, genitale verminking ('vrouwenbesnijdenis') en eerwraak.
In Nederland heeft zo'n 45% van de bevolking te maken of te maken gehad met enige vorm van huiselijk geweld. Een kwart ervaart steeds terugkerend geweld, waarbij gewelddadige voorvallen twee tot drie keer per week voorkomen. Jaarlijks overlijden er naar schatting 80 vrouwen, 20 mannen en 50 kinderen als gevolg van huiselijk geweld. Bij jeugdigen zijn jongens en meisjes even vaak slachtoffer; echter jongens hebben meer te maken met fysiek geweld, meisjes met seksueel geweld. De omvang van kindermishandeling in Nederland is nog niet goed onderzocht. Bij de Advies- en Meldpunten Kindermishandeling kwamen er in 2003 zo'n 29.000 meldingen binnen van vermoeden van kindermishandeling (een melding kan meerdere kinderen uit hetzelfde gezin betreffen). Omdat veel gevallen van kindermishandeling niet worden gemeld, gaat men ervan uit dat dit het topje van de ijsberg is. Een geschatte 80.000 kinderen per jaar zouden in Nederland worden mishandeld.
[...]
Huiselijk geweld in etnisch perspectief
In 1997 heeft het Ministerie van Justitie een kwantitatief onderzoek uit laten voeren naar huiselijk geweld in autochtone kring. Aan dit onderzoek werkten 516 mannen en 489 vrouwen mee. Daaruit bleek onder andere dat 45% van de ondervraagden zelf ooit slachtoffer geworden zijn van niet-incidenteel huiselijk geweld en dat 11% daar lichamelijk letsel aan over heeft gehouden. Een veel groter percentage kreeg te maken met immateriële schade, bijvoorbeeld een scheiding, angstgevoelens, neerslachtigheid, eetproblemen of problemen met relaties en/of intimiteit. Om inzicht te krijgen in de totale aard en omvang van huiselijk geweld in Nederland is dit onderzoek in 2002 herhaald onder allochtonen uit de belangrijkste bevolkingsgroepen: Turken, Marokkanen, Surinamers, Antillianen en Arubanen.
Uit dit onderzoek blijkt dat een kwart van de 849 respondenten (394 mannen en 455 vrouwen) ooit slachtoffer was van huiselijk geweld. Dit is dus aanmerkelijk minder dan de 45% onder Nederlanders uit het onderzoek in 1997. De onderzoekers verklaren het grote verschil uit een onderrapportage door allochtonen. Dit heeft volgens hen te maken met de gevoeligheid en de geringe bespreekbaarheid van het onderwerp. Met name over seksueel geweld wordt nauwelijks gepraat. Het gevolg hiervan is dat betrouwbare cijfers over huiselijk geweld bij allochtonen niet bekend zijn. Overigens zijn tussen de allochtonengroepen grote verschillen waarneembaar. Zo gaf 42% van de Antilliaanse en Arubaanse ondervraagden aan slachtoffer te zijn van huiselijk geweld tegen 30% van de Surinamers, 23% van de Turken en 17% van de Marokkanen.
Beide onderzoeken vonden nauwelijks verschillen in hulpzoekend gedrag voor autochtonen en allochtonen: Slechts 13 procent van de allochtone en autochtone slachtoffers praat met artsen en hulpverlenende instanties over het huiselijk geweld. De huisarts is in de meeste gevallen degene met wie zij contact zoeken. Ongeveer eenderde van de slachtoffers heeft met niemand over huiselijk geweld gesproken. In het onderzoek onder allochtonen is de meest genoemde reden dat men er niet over durfde te praten (30%). Dit is veel hoger dan in het onderzoek onder autochtonen (11%).
Voorbeeldinitiatieven
Veel organisaties in Nederland proberen om het bewustzijn over het onderwerp huiselijk geweld onder migranten en vluchtelingen te vergroten. Een aantal voorbeelden zijn:
Voorlichting en pleitbezorging - De Stichting Kezban geeft voorlichting, bewaakt de toegankelijkheid van de reguliere hulpverlening voor allochtone vrouwen en volgt het door de overheid gevoerde beleid betreffende huiselijk geweld. Om het taboe rondom huiselijk geweld te doorbreken heeft de stichting twee speciale videovoorlichtingsfilms gemaakt voor met name Turken en Marokkanen. De films, getiteld 'Als ik háár was...' hebben de vorm van een docudrama.
Opvang - Specifieke opvangmogelijkheden voor allochtone vrouwen zijn zeer schaars. De meesten komen in de gewone vrouwenopvang terecht, die in de loop der jaren sterk 'verkleurd' is; tegen de 60% van de bewoners van blijf-van-mijn-lijfhuizen is inmiddels van allochtone afkomst. Voor Islamitische vrouwen en meisjes die mishandeld en/of bedreigd zijn bestaat sinds 20 jaar het Rotterdamse opvanghuis Saadet. Vrouwen die in aanmerking komen voor opvang, kunnen zelf aangeven of ze wel of juist niet naar Saadet willen.
Training en methodiekontwikkeling - Tiye International, een koepel van landelijke organisaties van zwarte, migranten en vluchtelingenvrouwen heeft een aantal projecten op het gebied van huiselijk geweld opgestart. Het project 'Violence Alert' richt zich op het trainen van basisgroepen van allochtone vrouwen. Een ander project, 'Veilig Thuis', richt zich op het ontwikkelen van een overdraagbare methodiek voor vroegtijdige signalering van kinderen binnen zwarte, migranten en vluchtelingengezinnen die getuige zijn (geweest) van huiselijk geweld, en het zoveel mogelijk voorkomen van de negatieve gevolgen daarvan. Naast de directe doelgroepen en hun organisaties richt dit project zich ook op vrouwenorganisaties, mensenrechtenorganisaties, en professionals in/bij de gezondheidszorg, het onderwijs, de dienstverlening, de politie, justitie etc.
Good practices - In september 2001 is het project Mozaïek gestart, gericht op preventie van seksueel geweld en vrouwenmishandeling bij Marokkaanse, Turkse, Surinaamse en Antilliaanse vrouwen en de opvang van deze groep vrouwen met hun kinderen. Mozaïek wordt uitgevoerd door TransAct, NIGZ en FORUM. In het project wordt niet alleen naar de reguliere zorg en preventie gekeken, maar ook naar initiatieven op wijkniveau, opvang binnen eigen sociale netwerken en steun door sleutelfiguren. Het doel van de eerste fase van het project was om bestaande methodieken te beschrijven en te analyseren en lacunes in kaart te brengen. De meest succesvolle opvang- en preventiemethodieken (meer dan 25) zijn inmiddels beschreven in het Handboek Mozaïek, dat in september 2004 verscheen.
Tekst: Nel van Beelen, Redactie Mensenrechten & Gezondheidszorg (redactie@johannes-wier.nl)